Historie

Terugkijkend naar het ontstaan van de Prins Willem- Alexander is het dubbel interessant omdat je een prachtig tijdbeeld krijgt. De roerige jaren ‘60 en ‘70 waarin veel draaide om inspraak hadden ook hun invloed op de betrokkenen bij de manege. Het ontstaan van de vereniging was in feite het gevolg van een democratiseringsproces. Bovenal was het gewoon leuk. Daarom zijn we blij dat drie betrokkenen van het eerste uur hun herinneringen op papier hebben gezet.

Marianne Ovaa, Fredy Versluys en Wim Hellegers blikken terug en geven ons een inkijk in 40 jaar verenigingsleven.

~~~

De eerste 10 jaar.

door Marianne ovaa

Het was eind jaren ‘60 – een periode van redelijke welvaart – mensen konden zich weer wat luxe permitteren. Het was de tijd van macramé, visnetten, hippies, verzet tegen de gevestigde orde en de opkomst van veel liefdadigheidsinstellingen.
Er was oog voor volwassenen en kinderen die het minder makkelijk hadden: ouderen, vluchtelingen én mensen met een beperking, in die tijd meestal handicap genoemd. ‘Stichting de Huifkar’ werd geboren in de Sociale Verzekeringsbank aan de Apollolaan. Onder het motto “help een kind te paard”, troffen zij voorbereidingen om acht kinderen van de Amsterdamse Mytyl/ Tyltylschool paard te laten rijden.

Op 21 oktober 1969 stond het voltallige bestuur van de Huifkar klaar om de kinderen in de Gijsbrecht van Amstel manege, toen nog van de familie Bomars, te ontvangen voor de allereerste paardrijles. Ik kan me de sfeer nog goed herinneren: een echte najaarsdag, een kleine kantine die eigenlijk als opslagplek fungeerde, een binnenbak met wanden van wapperend plastic.

 

Er waren veel mensen! Natuurlijk de acht ruiters met familieleden, mensen van de Madurodam manege uit Den Haag (toen ons voorbeeld), een revalidatiearts, een fysiotherapeut, een instructrice en 16 vrijwilligers. De meeste vrijwilligers/ helpers waren benaderd via middelbare scholen. Opvallend in het hele gebeuren was altijd de heer Arend Brouwer. Hij regelde alles, ontving iedereen, vertelde welke paarden opgezadeld moesten worden, maar ook wie er koffie moest zetten en genoot zelf ontzettend van de belangstelling die hij kreeg. Hij was een oude man vonden wij, ouder dan de meeste ouders, maar hij ging handig met al die jongeren om.

Het eerste jaar genoot iedereen met volle teugen, al was het vaak koud en tochtig in de binnenbak en kantine. Als helpers mocht je toen al paardrijden tegen een leuke prijs, want anders waren de paarden te fris voor de ruiters, dat was natuurlijk een buitenkansje voor pubers uit de stad. Door wekelijks te komen, raakten wij als helpers ook met elkaar aan de praat en dachten mee over activiteiten en organisatie. De heer Brouwer vond dat wel leuk, mits het binnen zijn kaders paste, en zag het vooral als een kans zichzelf wat aan het officiële bestuur te onttrekken.  Hij vormde met ons een actiecomité, om zaken bij het bestuur aan te kaarten. De gesprekken liepen echter moeizaam, maar het actiecomité ging zich steeds sterker voelen en besloot na een jaar een vereniging op te richten.

Zo nam in augustus 1971 de Vereniging Paardrijden Gehandicapten het werk over van de Stichting de Huifkar. Inmiddels waren en meer dan 100 leden. In die periode werden tal van mensen lid die nu nog steeds actief zijn. Een jaar na de oprichting telde de VPG 150 leden, werden er paardrij demonstraties georganiseerd, interne opleidingen geregeld en werd er vooral veel gediscussieerd over de toekomst. Het bestuur schafte ook een verenigingsbusje aan om mensen vanuit Amsterdam naar Ouderkerk en terug te vervoeren, reuze handig, maar wel een kostenpost natuurlijk.

Het jaar 1974 was een toptijd voor de VPG: 75 ruiters, 65 ruiter/helpers en 75 medewerkers. De wens om een eigen manege te hebben was er al lang, maar werd steeds sterker doordat er een lange wachtlijst was. In de mededelingenblaadjes was het eerste gemopper te lezen: de communicatie moest beter!  De club kreeg ook zijn Koninklijke goedkeuring, vrij belangrijk in die tijd, en ik kwam als 19 jarige in het VPG bestuur, samen met Jack Marks en Han Advokaat, die iets ouder en wijzer waren, onvoorstelbaar denk ik nu, maar het ging goed.

 

Over 1975 is weinig meer bekend bij mij, dan dat we een tweede accommodatie in Amstelveen hadden, die ons veel plezier, maar ook veel zorgen gaf.  Het leidde tot intensief overleg over een betere accommodatie in Amstelveen, waar misschien ook de Ouderkerkers naar toe zouden kunnen. Inmiddels hadden we 245 leden en allerlei wilde plannen voor uitbreiding, maar de gesprekken in Amstelveen liepen stuk.

De VPG was genoodzaakt haar dependance in 1977 te sluiten, ondanks alle inspanningen van vele leden, de leuke eigen paarden, de geboorte van veulens. Gelukkig konden we de lessen naar het weekend in Ouderkerk verplaatsen. Tussendoor kwam zelfs een manege in Den Ilp, nog als serieuze mogelijkheid voorbij, maar dat idee werd door de leden weggestemd. De naam van de heer Brouwer kom ik na Amstelveen niet meer zo vaak tegen, ik weet wel dat hij in 1976 erelid is geworden, maar wanneer hij met zijn activiteiten gestopt is weet ik niet.

Er gebeurt eind jaren ’70 van alles, diverse bestuurswisselingen, start van de jaarlijkse ruiterkampen in Drente, de verenigingsfeesten worden steeds groter en er wordt een commissie “Nieuwbouw’ in het leven geroepen om te onderzoeken welke mogelijkheden er in Amsterdam en omgeving zijn. Ook in die tijd kwam Wim Hellegers in het bestuur als secretaris. Hij wist later met Hans van Baarle niet alleen de VPG leden steeds enthousiaster te maken voor nieuwbouw, maar ook de juiste mensen te benaderen voor een dergelijk groots project. In 1979 werd duidelijk dat het pony-centrum in het Gaasperplaspark de beste optie was, maar dat het nog wel enkele jaren zou duren voor we officieel kandidaat zouden kunnen worden. In datzelfde jaar werd dan ook de eerste steen gelegd voor een nieuwe kantine in Ouderkerk door de heer Schrawangen, manegecommissielid van het eerste uur. Binnen een aantal weken werd er een compleet nieuwe kantine gebouwd onder leiding van Peter Schoenmaker, terwijl het bestuur ook de officiële kandidaatstelling voor de Gaasperplas moest voorbereiden. Het was een hectische tijd, tijdens de bouw van de kantine ging er dan ook van alles mis. Gelukkig was het resultaat geweldig. Iedereen was er blij en tevreden mee, maar de plannen voor een eigen manege ontwikkelden gewoon door en in 1981 werd de Stichting Manege voor Gehandicapten Amsterdam opgericht om de manege waar we nu al weer ruim 23 jaar gebruik van maken, te realiseren.

Marianne Ovaa

~~~

De VPG tussen  1981 en 1991

door Fredy Versluys

De jaren 80 begonnen woelig in Amsterdam, met krakersrellen en veel actiecomités. 1981 werd uitgeroepen tot het internationale jaar van de gehandicapten. Dat kwam goed uit voor een vereniging met leden die overliepen van energie en graag iets nieuws wilden aanpakken. De Stichting, Marianne noemde hem al even, en Wim Hellegers zal er nog uitgebreid op terugkomen, zette zich met grote vasthoudendheid in voor het realiseren van de nieuwbouw. De leden van de vereniging hadden hierdoor hun handen vrij om inhoudelijk aan de gang te gaan. De aandacht lag vooral op het reilen ven zeilen binnen de vereniging maar natuurlijk probeerde iedereen ook zo goed mogelijk een steentje bij te dragen aan die mooie toekomstige manege.

Dus was er een zeer actieve manegecommissie. Want tenslotte moest de vereniging het voor zijn inkomsten voor een groot deel hebben van de baropbrengsten. Daarnaast bestond er net als nu een instructeurscommissie, ook toen al bezig met het indelen van de lessen en plannen van activiteiten. Een Paardengroep was er nog niet, de pony’s en paarden werden gehuurd.

Wat betreft activiteiten deden we het misschien rustiger aan dan nu. We gingen naar Westerbork, één keer per jaar was er diploma rijden. Met Pinksteren gingen we naar het Amsterdamse Bos. Er was een meestal zeer druk bezochte ledenvergadering met, als ik terugdenk, heel veel ouders van ruiters, en natuurlijk was er het jaarfeest. En ja, we gingen de boer op. Met tasjes (” help ons te paard” ), paardenkwartetten, beschilderde glazen en zeefdrukken waren jaarlijks VPG leden te vinden op Jumping Amsterdam, een plaatselijke rommelmarkt etc. Daarnaast dachten we hard mee met de Stichting, het pakket van eisen voor de nieuwbouw ging na lang wikken en wegen naar architect Joop van Stigt.

We lieten ons als vereniging volop horen tijdens de discussie of ruiters met een handicap wel aan wedstrijden moesten mee doen. Als ik terugdenk aan de argumenten die gebruikt werden om te overtuigen dat het verstandiger was als gehandicapte ruiters NIET aan wedstrijdsport deden lijkt het wel of dit 100 jaar in plaats van 25 jaar geleden is. Gelukkig trok Rob Heeger zich daar niets van aan, hij won goud bij de wereldspelen in Assen. Een paar jaar later gaf hij het stokje weer door aan Bart Versteege en natuurlijk aan Joop Stokkel.

Ook het mennen kwam in de belangstelling, Sandy Asselman reed als eerste mee in een internationale samengestelde wedstrijd, gecoached door Jack en met Margriet achter op de wagen. En tijdens de verschillende carrouseldemonstraties deden de ruiters hun uiterste best alles synchroon te laten verlopen. Altijd weer met Bart Versteege en Frans Vervaat aan kop. En tussen al deze activiteiten door verhuisden we eind 1987 naar de nieuwe manege. Wat was dat spannend. Allemaal nieuwe paarden, en vooral nu ook: de “zorg” voor de paarden.

Onder leiding van Ellen Loman en Yvonne van der Kolk werd kritisch gezocht naar een zo goed mogelijk paardenbestand. Er werden richtlijnen opgesteld, poetsboekjes gemaakt, de staldiensten deden hun intree. Opeens was de vereniging er niet alleen maar voor de ruiters en helpers maar was er ook aandacht nodig voor de paarden en ook nog voor het gebouw, de weilanden etc. Toen in april 1988 de manege dan ook officieel geopend werd door prins Willem Alexander konden we terecht trots wezen op het resultaat van 8 jaar plannen maken en doorzetten.

Tja en daarna… voor mij was altijd het hoogtepunt in het jaar het in het land zetten van de paarden, ’s zomers aan het eind van de avond. En dan natuurlijk het teruglopen in het donker, het altijd weer ergens kwijtraken van de sleutels of een slot. Eind jaren 80 werd het duidelijk dat de zorg voor de paarden beter af was bij een “paardenman”, iemand met een hippische achtergrond die ook de instructeurs les kon geven. En zo verwelkomden we Ed van Dijk, net Deurne afgerond, overlopend van ambities. Zo gingen we de jaren 90 in, “de Amsterdammers”, actief op allerlei gebied binnen paardrijden voor gehandicapten in Nederland.

Fredy Versluys

~~~

EEN EIGEN MANEGE

door Wim Hellegers

Het moet rond de zomer van 1973 of 1974 zijn geweest dat mijn aandacht werd getrokken door een artikeltje in de Amstelveen Courant. De voorzitter van de Vereniging Paardrijden Gehandicapten, een zekere meneer J. Marks, vertelde de interviewer dat er in Ouderkerk aan de Amstel met gehandicapte kindertjes werd paard gereden en dat dat zo goed was voor hun ontwikkeling. Hé, dacht ik, dat zou misschien wel iets zijn voor onze zoon Tom, die toen acht jaar was en nog wel een steuntje kon gebruiken. Mijn vrouw Hanneke maakte een afspraak en ging sindsdien elke week met Tom naar de manege.

Zo af en toe had ik de beurt en bracht ik ook een uurtje door in de kantine, dat kleine, donkere maar toch wel knusse hok met zijn afgedankte vliegtuigstoelen en schaamde ik me. Want in die stoffige binnenbak liepen wel allerlei jongens en meisjes en ook veel ouders te hollen naast mijn zoon op zijn pony en ik zat daar maar koffie te drinken en de krant te lezen.

Toen ik op een avond met mijnheer Brouwer aan de praat kwam en hem vertelde dat ik op het stadhuis van Amsterdam werkte en bij problemen misschien van nut kon zijn, hielp hij mij snel van mijn schuldgevoelens af. In de jaarvergadering van 1978 werd ik secretaris van de VPG. In diezelfde vergadering nam mijnheer Brouwer bij de rondvraag het woord en zei, dat het langzamerhand tijd werd om te gaan denken aan een eigen manege van de VPG. We hadden immers al een spaarpot van 25.000 gulden. Dat voorstel viel in goede aarde. Als ervaren ambtenaar wist ik wel hoe je zo’n varkentje moest wassen. Op mijn voorstel besloot de ledenvergadering, dat de mogelijkheden van een eigen manege moesten worden onderzocht en dat een in te stellen commissie een programma van eisen moest opstellen.

Voorzitter van die commissie, werkgroep Gaasperplas gedoopt, werd Jack Marks en een paar vergaderingen later, medio 1981, bracht de werkgroep rapport uit. Een eigen manege met zes paarden zou ongeveer 250.000 gulden gaan kosten. Dat moet op te brengen zijn, zei iedereen, dus met algemene stemmen werd besloten een eigen manege voor de VPG te gaan bouwen.

Maar, was de volgende vraag, waar moet die manege eigenlijk komen? Ook daarvoor werd een programma van eisen opgesteld: niet te ver van de stad af, goed met het openbaar vervoer te bereiken, gunstige ligging ten opzichte van de woonplaatsen van de ruiters en helpers etc. Toen ook dat duidelijk was zijn we op verschillende plaatsen gaan kijken.

In Den Ilp, een dorp boven Amsterdam-noord, stondeen manegebedrijf te koop, maar dat viel al heel snel af. In Amstelveen bood de gemeente een terrein aan, maar dat viel ook af, omdat we de ruimte met twee andere rijverenigingen moesten delen. Ten slotte kwamen we uit in de Bijlmermeer waar een lapje grond lag met de bestemming ponycentrum. Het Gemeentelijk Grondbedrijf was bereid dat voor ons te reserveren, maar we zouden wel moeten wachten tot het einde van de Floriade 1982 die in dat jaar in de Bijlmermeer zou worden gehouden. Dat was natuurlijk geen probleem, want we moesten nog beginnen!

De allerhoogste prioriteit was, dat we in het bestuur iemand moesten hebben met verstand van bouwen. Gelukkig hadden we die in huis al vertoonde hij zich niet zo vaak in de manege. Het was de vader van Annegriet vanBaarle, civiel ingenieur en werkzaam bij Publieke Werken van Amsterdam. Hij werd gepolst voor het voorzitterschap van de vereniging en tot ieders vreugde stelde hij zich beschikbaar. En passant werd hem ook nog verteld dat de VPG een eigen manege ging bouwen en dat op zijn deskundigheid op dit gebied werd vertrouwd.

STICHTING MANEGE VOOR GEHANDICAPTEN AMSTERDAM

Hans van Baarle is een snelle denker en iemand die van aanpakken weet. Ik zelf zou in 1981 als secretaris van de VPG herbenoembaar zijn en stelde mij beschikbaar om daarnaast een rol bij de nieuwbouw te spelen. Al pratende kwamen we met zijn tweeën tot de conclusie dat we de vereniging niet moesten opzadelen met de last om fondsen te werven en de nieuwbouw te begeleiden. Daar moest een aparte organisatie voor komen, een onafhankelijke stichting. In dat stichtingsbestuur moest bij voorkeur een zware delegatie uit de VPG zitten, maar de voorzitter en de penningmeester zouden geen binding met de VPG moeten hebben, onafhankelijk moeten zijn en “van buiten” moeten komen. Maar, hoe pakken we het verder aan? Hans had een briljant idee: we gaan naar Caransa en vragen hem advies.

Hans had vanwege zijn werk bij de gemeente een ingang bij Caransa en deze ontving ons vervolgens in zijn kantoor op de gracht. Hij adviseerde als volgt: laat een architect een ontwerp maken van een manege, maak een mooie brochure waarin staat wat je als stichting van plan bent, zorg voor een comité van aanbeveling dat klinkt als een klok en ga dan fondsen werven. Dat advies sprak ons aan en we stelden een lijstje op van mogelijke leden van dat comité van aanbeveling. Maar we hadden ook een architect en een voorzitter en penningmeester voor de stichting nodig en daarmee zouden we toch wel moeten beginnen.

Hans wilde van de aanvang af mikken op een gebouw van hoge kwaliteit. Daarvoor moet je een goede architect hebben. Met zijn ervaring als hoofd Bouwtoezicht in de Amsterdamse binnenstad koos hij enkele architecten uit en ging met een delegatie uit de VPG de bouwwerken bekijken die deze architecten hadden ontworpen. Resultaat van deze rondgang was dat unaniem werd gekozen voor architect Joop van Stigt. Deze werd uitgenodigd een schetsplan te maken.

We hadden intussen signalen gekregen dat er in de top van IBM iemand zat die van paardrijden hield en misschien wel genegen zou zijn, zich voor de op te richten stichting in te zetten. Dat was drs Ad Merkx, registeraccountant, die zich inderdaad bereid verklaarde om voorzitter te worden. Voor het penningmeesterschap waren we aangewezen op iemand van onze huisbank, de Nederlandse Middenstandsbank. In overleg met onze nieuwe voorzitter benaderden we een aantal personen voor het lidmaatschap van het comité van aanbeveling, onder wie drs R. de Wit, Commissaris van de

Koningin in Noord-Holland en oud-wethouder van Amsterdam, burgemeester W. Polak van Amsterdam, de heren F. Bischoff van Heemskerck (voorzitter van de Federatie Paardrijden Gehandicapten), dr.A. Dreesmann, A. Heijn, M. Caransa en drs J. Stoffer, lid van de raad van bestuur van de NMB. Zij allen verklaarden zich bereid ons initiatief te ondersteunen.

Op 2 oktober 1981 werd bij notariële akte de stichting opgericht en konden we met onze inmiddels gereed gekomen brochure aan de slag. Ruim 1 000 bij de Kamer van Koophandel ingeschreven Amsterdamse bedrijven werden aangeschreven met het verzoek, een financiële bijdrage voor ons goede doel te geven. We hadden geschat dat we 3 miljoen gulden nodig hadden en dat vroegen we dan ook. Resultaat van deze campagne: 25.000 gulden. Wat een teleurstelling en wat een pech, dat net op dat moment de economie was ingezakt. Maar onze grootste fout was, dat we niet hadden berekend of er een gezonde exploitatie mogelijk zou zijn. En dat is natuurlijk de eerste vraag die je kunt verwachten als je met zo’n bedelbrief langs komt. Dat was een wijze les en als stichtingsbestuur likten we onze wonden. Intussen was er een boekwerk verschenen met de adressen van goede doelenfondsen in Nederland. Dat fondsenboek werd van voor naar achter uitgeplozen.

Na enige maanden gingen er ruim 100 brieven de deur uit met een uitvoerige documentatie, waaronder een exploitatieopzet. Aan de betrokken fondsen werd de vraag voorgelegd of zij bereid waren een donatie te doen en zo ja, tot welk bedrag, wanneer de stichting kon aantonen dat er uitzicht was op het totaal benodigde bedrag en aannemelijk kon maken dat een gezonde exploitatie van de manege mogelijk zou zijn. Tegelijkertijd probeerden wij via onze eigen kanalen bij de rijksoverheid, de provincie en de gemeente het nodige overheidsgeld binnen te halen. Voorzitter Merkx en penningmeester Bak zorgden daarnaast voor inkomsten uit het bedrijfsleven. Tot onze grote vreugde begonnen vanaf dat moment de toezeggingen binnen te komen. Architect van Stigt had intussen, met zeer veel invoelingsvermogen voor de bijzondere doelgroep, een prachtig ontwerp gemaakt dat door iedereen werd geprezen.

 

Binnen het stichtingsbestuur stonden we te trapppelen van ongeduld om meteen met de bouw te beginnen, maar onze voorzitter was streng. Hij hield hardnekkig vast aan zijn uitgangspunt, dat er geen paal de grond in zou gaan en geen spijker ergens in zou worden geslagen als we niet zwart op wit hadden gezien, dat het geld er ook echt was. Op 27 september 1986, de 89e vergadering van de stichting, was het zo ver en gingen de champagneflessen open. Op 19 november werd de eerste paal geslagen en een jaar later nam de VPG de manege in gebruik. De manegebouw had uiteindelijk 1.750.000 gulden gekost. De Prins van Oranje zorgde op 23 april 1988 voor de apotheose door de manege officieel in gebruik te stellen en zijn naam er aan te verbinden.

Wim Hellegers

Facebook

Asjemenou ... See MoreSee Less

View on Facebook

Onverwacht hebben we afscheid moeten nemen van ons paard Asjemenou. Hij kreeg acute koliek en zelfs in het dierenziekenhuis in Utrecht waar hij met spoed is heen gebracht konden ze hem niet meer helpen.
Asjemenou was nog maar kort op de manege maar heeft vele harten veroverd met zijn welwillende karakter en prachtige stoere verschijning.
Hij was voor vele ruiters van alle niveaus inzetbaar. Een groot gemis.
... See MoreSee Less

View on Facebook